Over koetjes en kalfjes of over groentjes en halfjes

Veel talen kennen verkleinwoorden, maar Nederlandse verkleinwoorden zijn om allerlei redenen erg bijzonder. Ten eerste kan het ingewikkeld zijn hoe je van een woord een verkleinwoord maakt. Je hebt de keuze uit …-je/-tje/-etje/-kje/-pje (en misschien zelfs …-ke en …- ie). Op zich zijn hier wel duidelijke regels voor. Maar soms is het lastig: kies je nu voor brugje of bruggetje en is het nu hemdje of hempje?

Ten tweede zijn verkleinwoorden bijzonder, omdat een …-je/-tje/-etje/-kje/-pje niet altijd ‘een kleine …’ betekent. Zo is een kaartje niet zonder meer een kleine kaart, maar eigenlijk altijd een toegangskaartje of een ansichtkaart. Dat ansichtkaartje kan best groot zijn. Een ander voorbeeld van een eigen betekenis: het maakt een aanzienlijk verschil of je iemand een bloemetje of een bloempje geeft. In het park staan bankjes, hoe groot ze ook zijn. En bij een spiraaltje denk ik echt niet in eerste instantie aan een kleine spiraal (wat het natuurlijk wel ook betekent). Al die andere, eigen betekenissen moet je daarom in een woordenboek kunnen vinden.

Ten derde hebben we veel verkleinwoorden in het Nederlands. Op culinair gebied lijken verkleinwoorden bovendien steeds populairder te worden. In België werden groentes altijd al “groentjes” genoemd, maar nu lijkt dat ook in Nederland ineens veel smakelijker te klinken. Een groentje in het gerecht kan net een lekker frisje, bittertje of zuurtje (nee niet het snoepje) toevoegen.
Al dat ge’tje in de keuken hoeft van mij niet zo (en die mening wordt gedeeld), maar het feit dat een verkleinachtervoegsel aan een bijvoeglijk naamwoord geplakt kan worden, vind ik wel weer heel mooi. Hier volgt daarom het recept:

Men neme een bijvoeglijk naamwoord -dat daarom dus niet naar een concreet ding kan verwijzen-, bjjvoorbeeld enkel, half, dubbel, groen of wit. Voeg -je (of eventueel -tje/-etje/-kje/-pje) toe en in een handomdraai heb je een treinkaartje, een brood, een munststuk, een jong persoon of een vlinder.
Wie meer dingen tevoorschijn wil toveren, kan hetzelfde trucje met stofnamen uitproberen (want ook die verwijzen zelf niet naar concrete voorwerpen), bijvoorbeeld met ijs; schuim of vilt .

Geplaatst in Woorden | Getagged , , , , , , | 1 reactie

Synoniemen om te zoenen (met een kus)

Waarom zou je binnen een taal een woord met precies dezelfde betekenis als een ander woord -een synoniem- willen hebben? Is nergens voor nodig en voor je geheugen erg inefficiënt (je moet dan immers twee in plaats van één woord voor iets onthouden).

Synoniemen betekenen daarom meestal wel globaal hetzelfde, maar zijn verder net iets anders. Bijvoorbeeld in hun gevoelswaarde -de connotatie-, zoals bij man, kerel, gozer of gast. Of in hun gebruik; wanneer je bijvoorbeeld een blindedarmontsteking
hebt, heeft de dokter het over appendicitis. Ook kan het gebruik van woorden regionaal verschillen, denk aan ham en hesp. Maar twee synoniemen die volledig in wat je ermee bedoelt, in gevoelswaarde en gebruik overeenstemmen bestaan bijna niet.

Een bijzonder synoniemenpaar in het Nederlands zijn kus en zoen. Ze zijn bijzonder, omdat de talen om ons heen maar één woord hiervoor kennen (kiss, Kuss, baiser). Ook zijn ze bijzonder, omdat een verschil tussen beide niet zo gemakkelijk te vinden is. Op internet wordt hier veel over gediscussieerd , geschreven en het is zelfs onderwerp van onderzoek.

Een veel gehoord geluid is dat een zoen intiemer zou zijn dan een kus, meer iets voor geliefden, of anders dat een zoen in elk geval luidruchtiger en groter zou zijn. Op het eerste gezicht lijkt dat ook logisch; denk aan een natte zoen, knallende zoen maar vluchtige kus. Of denk aan woordcombinaties als klapzoen, tongzoen en zuigzoen. Maar zo simpel ligt het niet! Tegenover de uitgebreide zoenen voor geliefden, staan woorden als liefdeskus en slobberkus. En ook kussen blijken vaak nat of knallend te worden genoemd en zoenen juist ook vluchtig.

Wie nog niet overtuigd is dat er lastig een verschil tussen een kus en een zoen gevonden kan worden, kan dit hier hier (even scrollen naar p. 431 [pdf-blz. 446] of ctrl+f “Sweep”) uitgebreid nalezen. Na die analyse blijkt kus en zoen blijkt een prachtig synoniemenpaar: een paar om te zoenen!

Geplaatst in Woorden | Getagged , , , , , , , | 1 reactie

Dezelfde woorden (of dezelfde borden): types of tokens?

Wanneer je in het Nederlands het woord het-/dezelfde gebruikt, kun je twee dingen bedoelen: a) ‘exact dezelfde individuele entiteit’ of een b) een ‘nieuwe entiteit die precies lijkt op een ander’. Hendrik J. Marsman en J. Bernlef zijn bijvoorbeeld dezelfde in de zin van a). Tweelingen zijn misschien wel b) maar nooit a). Ook in het café maakt dit verschil uit: wanneer je in een biertje op hebt en “nog eens hetzelfde” bestelt, bedoel je niet a) maar b). Exact hetzelfde biertje is immers al opgedronken, dus je wilt een nieuw biertje dat precies lijkt op het vorige (weer een fluitje en weer pils, maar wel een nieuw fluitje pils).

In het Duits heb je twee woorden voor dit ‘hetzelfde’, namelijk dasselbe en das Gleiche. In een café bestel je dus nooit “dasselbe” (want dat heb je al op), maar altijd “das Gleiche”. De twee bovengenoemde schrijversnamen daarentegen zijn ‘dieselbe Person’ (een- en dezelfde). Leerders van het Duits vinden dit vaak lastig -overigens gaan Duitsers zelf hier vaak ook de mist mee in (kijk bijv. hier of lees hier)-, maar ik mis in het Nederlands juist soms dit verschil. Wanneer ik bij de maaltijd soep vooraf en yoghurt toe eet en iemand vraagt of ik “hetzelfde bord wil”, dan is afhankelijk van de betekenis van “hetzelfde” mijn antwoord “ja” of “nee” (bij een vriendin van mij op de middelbare school gebeurde dat laatste).

In de taalkunde speelt soms een soortgelijk verschil een grote rol. Wanneer je het aantal woorden in een tekst telt bijvoorbeeld (taalkundigen hebben allerlei redenen om dat te willen), dan kun je dat op twee manieren doen. Je kunt woord na woord afgaan en doortellen (deze blog heeft dan 388 woorden) of je kunt willen weten hoeveel woorden je moet kennen om deze blog te begrijpen (dat zijn er 164). Taalkundigen hebben daar twee termen voor: in het eerste geval tel je de tokens van een tekst (alle individuele woorden), in het tweede geval tel je de types. Wat ‘hetzelfde woord’ is, is dus verschillend: gedacht vanuit tokens zijn alle voorkomens van de bijvoorbeeld niet dezelfde woorden (alleen degleiche), geredeneerd vanuit types zijn zelfs hebt en heeft hetzelfde woord (hetselbe type, namelijk beide hebben). Mijn bord voor soep en yoghurt mag dus best van hetzelfde type zijn, maar bij voorkeur niet hetzelfde token.

Geplaatst in Woorden | Getagged , , , , , , | 2 Reacties

Apenstaartjes en andere beestachtigheden in de taal

Talen zitten echt vol met prachtige woorden. Een voorbeeld in het Nederlands vind ik apenstaartje voor het @-teken. In dit teken kun je een aap met een staartje zien (en dan het staartje benoemen) en bovendien herken je een ‘a’ in het teken, wat ook de eerste twee letters van het woord aap vormt. Hele volksstammen leerden de ‘a’ lezen met behulp van het woord aap (aap, noot, mies, …). (Overigens ben ik van de “boom, roos, vis”-generatie, waarbij het eerste a-woord raam was.)

Volgens wikipedia gebruiken overigens meerdere talen (bijv. Duits, Pools, Sloveens) iets met aap voor de benaming van “@”. Daarnaast zijn er ook andere prachtige benamingen voor het @-teken in andere talen, zoals ‘rolmops’ (Tsjechisch), ‘muisje’ (Chinees) of ‘slakkenhuis’ (Italiaans). Wij Nederlanders kunnen een rolmops eten of ermee rijden hebben slakkenhuis in ons oor en eten muisjes op brood.

Je hoort apenstaartje voor ‘@’ nog wel, maar daarnaast rukt het woord “at” op. Maar niet getreurd, we hebben nog meer mooie beestenwoorden in het Nederlands. Bijvoorbeeld hanenpoten voor een handschrift dat lijkt op de poten van een haan. Wel iets minder mooi dan apenstaartje, omdat de ‘h’ van haan hier verder geen rol speelt.

Ook kun je in een boek (en zelfs op een e-reader!) ezelsoren maken (of leggen). Juist op het moment dat ik me afvroeg, waarom dat eigenlijk het oor van een ezel moet zijn, las ik in een roman “Aan de bladzijde van het boek dat op de sofa lag maakte ik een oor. Ik legde het boek weg voor morgen.” (in Graz van Bart Moyaert). Een gewoon oor kan dus ook. Maar ezelsoor wordt veel vaker gebruikt. Dat van die ezel hebben we overigens overgenomen van de Duitsers (Eselsohr). Ezels hebben best hoekige oortjes, maar een kat heeft dat nog meer, alleen die kattenoren hangen niet omlaag (die van een ezel wel??). In het Engels wordt over een dog-ear gesproken. Dat lijkt beter.

Het fictieve kattenoor brengt me bij een kattebelletje (‘een kort, snel geschreven briefje’). Zo’n briefje lijkt niet op een kattenbelletje; kattebelletje zonder ‘n’ heeft ook een geheel andere herkomst: In eerder Nederlands was dit cartebelle, dat of van het Italiaans scartabello of van het Spaanse cartapel komt (wat beide ‘kleine notitie’ betekent). De verkleinvorm cartebelleken en cartebelletje en verbasterd tot kattebelletje. Je ziet in de spelling van het groene boekje dus terug dat dit niets met een kat te maken heeft, aangezien de tussen-n niet geschreven wordt. Een ‘kort, snel briefje’, het kattebelletje, lijkt alleen qua klanken op een kattenbelletje (ze zijn homofoon).

Het kattebelletje illustreert verder op een prachtige manier hoe betekenisverschuivingen kunnen ontstaan: Onder invloed van het woord ‘belletje’ hoef je kattebelletjes tegenwoordig namelijk niet meer altijd te schrijven!

Geplaatst in Woorden | Getagged , , , , , , , , | 1 reactie

Waarom zeggen hun eigenlijk “me boek”?

Sommige mensen winden zich mateloos op over het gebruik van hun waar volgens de regels zij moet staan, dus zoals in hun lopen, hun zeggen, hun hebben, etc. Een gesprek in De Wereld Draait Door op 9 februari 2010 tussen hoogleraar Helen de Hoop en Ronald Plasterk (op dat moment minister van onderwijs en baas van de Taalunie) hierover loopt nogal uit de hand.*

Veel mensen vinden hun zeggen dom klinken. Maar waarom? Ik vraag die mensen altijd of ze u zegt ook dom vinden klinken. Meestal begrijpen mensen die vraag niet eens, maar ooit was u zegt precies om dezelfde redenen fout als hun zeggen. Het moest namelijk zijn gij zegt, want u was alleen de voorwerpsvorm (bijv. ik zag u). Dit soort verschuivingen komen in talen vaker voor (net zo: vous en nous in het Frans!) en dus ook in het Nederlands. Daarbij hebben taalkundigen zelfs geanalyseerd waarom het handig kan zijn om hun zeggen te gebruiken (lees bijv. hier of hier). Mensen vinden het alleen dom, omdat ze er niet aan gewend zijn.

Hun gebruiken als onderwerp is dus misschien juist wel slim: het maakt op een bepaalde manier het voornaamwoordensysteem gelijker. Net als bij je en jullie heb je dan drie gelijke vormen voor de onderwerpsvorm, voorwerpsvorm en het bezittelijk voornaamwoord. Een van mijn persoonlijke taalergernissen (ook ik heb ze: vgl. hier vraag 3) is het gebruik van u boek of ook me boek. Maar ook hier gebeurt feitelijk hetzelfde: er wordt telkens zo veel mogelijk één vorm voor een bepaalde persoon gebruikt.

tabelletje

Het bovenstaande tabelletje maakt dit inzichtelijk (klik op de tabel om te vergroten). Bij de blauwe woorden zijn er drie vormen bij één persoon gelijk, bij de groene twee. Een sterretje voor een vorm betekent dat dat eigenlijk geen standaardtaal is. De tabel laat zien, waarom die vormen mogelijk toch gebruikt worden: de lichtblauwe vormen gaan lijken op de donkerblauwe en de lichtgroene op de donkergroene (bovendien past mijn&me bij jouw&je).

Overigens zit het succes van hun zeggen waarschijnlijk nog iets complexer in elkaar (vgl. dit artikel). Het punt van dit stukje is alleen dat hun goede redenen hebben om “me boek” te zeggen.

 

*Overigens baart het mij echt zorgen dat iemand die wij aanstelden als minister van onderwijs en hoofd van de Taalunie open en bloot verkondigt dat het Nederlands al wel veranderingen genoeg heeft gehad de laatste tijd (sorry??? zo werkt het niet!!) en “de Engelse taal is al 400 jaar bijna niet veranderd” (O Ronald, Ronald! Wherefore art thou Ronald?). Misschien toch standaard een beetje taalkunde op school geven om zo veel domheid te voorkomen?

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , , , , , | 4 Reacties

Spaanse vlaggen en landkaartjes: over de hoofden van vlinders

Tijdens mijn vakantie in Duitsland vond ik in het bos een Spaanse vlag. Dat is best bijzonder, maar misschien niet op de manier die u nu denkt. Een Spaanse vlag is namelijk geen vlag. In het Duits heet het een Russischer Bär, een ‘Russische beer’, maar het is ook geen beer. Het is een vlinder.

De vlinder is niet alleen prachtig, maar zijn naam is ook taalkundig interessant. Het is een gelexicaliseerde woordgroep, een woordgroep die als geheel een lexicale betekenis heeft. Daarbij is er bij deze vlinder iets interessants aan de hand met wat taalkundigen het “hoofd” noemen.

Bij woordgroepen en samenstellingen is er altijd een deel dat bepalend is voor het geheel; dat noemen taalkundigen het hoofd. Zo is een dagvlinder iets heel anders dan een vlinderdag: het eerste is een type vlinder, het tweede is een dag die iets met vlinders te maken heeft. In het Nederlands vind je het hoofd vaak rechts (maar niet altijd!!), en dagvlinder en vlinderdag hebben dus een ander hoofd. Sommige talen, bijvoorbeeld het Frans (vgl. papillon de jour), hebben het hoofd juist meestal links staan.

Bij samenstellingen bepaalt het hoofd doorgaans wat iets is. Zoals bij dagvlinder en vlinderdag dus. Ook bijvoorbeeld een citroenvlinder is een vlinder en geen citroen. Dit soort samenstellingen noemen taalkundige vanwege deze eigenschap “endocentrische samenstellingen“. Je hebt ook “exocentrische samenstellingen“; daarbij geeft het hoofd niet direct aan wat de betekenis van het geheel is. Zo is een dagpauwoog geen oog, een dikkopje geen kleine kop en een rietvink niet per se een vink.

Ondanks dat de term endocentrisch en exocentrisch bij woordgroepen soms net iets anders gebruikt worden (vgl. bijv. hier), is een Spaanse vlag niet alleen prachtig als vlinder, maar ook taalkundig interessant omdat het niet om een vlag gaat. Naast Spaanse vlaggen zag ik in het bos ook nog landkaartjes. In de zomer minder exotisch qua uiterlijk (vgl. kadertekst hier), maar zeer exocentrisch qua naam.

Geplaatst in Woorden | Getagged , , , , , , , , , | 1 reactie

Vierdaagsewoorden

Het is weer bijna zover: feest in Nijmegen! Want zoals altijd in de derde week van juli vindt van 21 t/m 24 juli daar de Vierdaagse plaats. Nadat ik de Vierdaagsefeesten jarenlang intensief gevierd heb, vond ik dat ik het nu eens tijd werd voor het echte werk: ik ga de Vierdaagse (proberen te) lopen…

Met 43.000 wandelaars en 1,4 miljoen bezoekers van over de hele wereld is de Vierdaagse het grootste evenement in Nederland. Bij zo’n groot evenement horen speciale woorden; Vierdaagsewoorden. Sommige zijn helemaal specifiek voor de Vierdaagse, andere spelen een speciale rol. Ik heb er een aantal op een rijtje gezet:

blarenpas – busabonnement waarmee je voor 19 euro van 18 tot en met 24 juli 2015 met de bus kunt reizen
blarenpoli – geen daadwerkelijke ziekenhuisafdeling , maar een tentje of mobiele locatie waar je voor je blaren behandeld kunt worden.
de dijk – niet de band, maar een zware etappe op de eerste dag: de dijk tussen Oosterhout en Lent. In 2006 overleed hier zelfs iemand.
duurzaam plassengeen primeur in Nederland , maar wel een Vierdaagseprimeur deze 99ste editie. Vanwege het feit dat de urine tijdens de zomerfeesten opgevangen wordt om er kunstmest van te maken (urinekunstmest) wordt plassen duurzaam.
loper – geen schaakstuk of universele sleutel, maar een Vierdaagsewandelaar
mannenafstand – 50 km. Herkenbaar aan een rood polsbandje . Vrouwen lopen 40 km per dag, kinderen en 60-plussers 30. Mijn moeder en zusje liepen jarenlang ‘de mannenafstand’ (en dat terwijl ze 40 respectievelijk 30 mochten lopen!!). Volgend jaar is de honderdste editie en dan zal er zelfs een 55km-afstand zijn (het originele aantal kilometers).
prikpost – niet om bloed te af te nemen, maar om blaren door te prikken (vgl. hierboven blarenpoli)
Via Gladiola – naam van de Sint Annastraat tijdens de intocht op vrijdag. Hier worden de lopers met gladiolen onthaald
Vierdaagsekruisje – je beloning
Waal in vlammen – vuurwerk op de Waal om de start van de Vierdaagse te vieren
wandellied Hèt Vierdaagselied komt al uit 1932. Nijmeegse liedjes zijn natuurlijk ook te horen.
zomerfeestenVierdaagsefeesten. Hopelijk sluit ik hier niet alleen nu, maar ook volgende week mee af!

Geplaatst in Woorden | Getagged , , , , | 1 reactie

Homoniemen

In m’n vorige blog gaf ik voorbeelden van verschillende soorten woorden die er (toevallig) hetzelfde uitzien. Zo is varen een zelfstandig naamwoord (plant) en een werkwoord (manier van voortbewegen). Gevaren is een vorm van dat werkwoord en het meervoud van gevaar en vaart en voer zijn vormen van het werkwoord, maar beide ook zelf zelfstandig naamwoorden.

Varen als werkwoord en zelfstandig naamwoord vind ik het leukste, omdat dit als grondvorm (onverbogen/onvervoegd) al twee verschillende woorden zijn. Denk ook aan: wagen (werkwoord en ‘kar’), kussen (‘zoenen’ en ‘ding op bed’) en arm (bijvoeglijk naamwoord ‘niet rijk’ en zelfstandig naamwoord ‘lichaamsdeel’). [wie bedenkt er hieronder als reactie nog meer? :-) ]

Zulke woorden noem je homoniemen, omdat ze hetzelfde geschreven worden en hetzelfde klinken*. Het zijn eigenlijk telkens twee verschillende woorden, maar ze zien er simpelweg toevallig hetzelfde uit. Ze hebben bijvoorbeeld vaak een totaal andere herkomst (andere etymologie). Het hoeft hierbij niet altijd om verschillende woordsoorten te gaan (zoals de bovenstaande voorbeelden). Ook het dier haas en haas als lekkere biefstuk hebben een andere herkomst: het dier is genoemd naar zijn kleur (hasan is een oud woord voor grijs), terwijl de biefstuk van het woord haessen komt.

Ook leuk zijn homoniemen die je kunt herkennen aan grammaticale verschillen. Zo heb je de balde ballen (‘rond speelgoed’) en het balde bals (‘dansfeest’). Hetzelfde geldt voor portier en iets soortgelijks voor een woord als schot dat wel altijd het lidwoord het in het enkelvoud heeft (behalve…), maar verschillende meervouden kent (‘schietacties’ = schoten; ‘wanden’ = schotten).

Woordenboeken nemen homoniemen meestal als twee verschillende woorden/lemma’s op, omdat het immers twee verschillende woorden zijn. Het ANW gebruikt hiervoor vaak ‘koepelartikelen’ (maar niet altijd!), waar je de twee verschillende woorden kunt herkennen aan een A en een B, etc .

Wie nog geen genoeg van vergelijkbare woordjes heeft en wil nadenken over op elkaar lijkende woorden in verschillende talen, moet eens naar deze briljante taalkunst kijken (kan ook tweetalig…)!

* Homofonen klinken hetzelfde, maar hebben een verschillende spelling, bijvoorbeeld hart en hard. Homografen worden hetzelfde geschreven maar verschillend uitgesproken, bijvoorbeeld appel (A) en appel (B). [NB De woorden homoniem, homofoon en homograaf zijn zelf ook homoniem, namelijk behalve zelfstandig naamwoord ook bijvoeglijk naamwoord.]

Geplaatst in Algemeen Nederlands Woordenboek, Woorden | Getagged , , , , , , , , , | 3 Reacties

Een wandelend woordenboek?

Als ik vertel dat ik bij een woordenboek werk, is de meest gestelde vraag of ik dan de betekenis van alle woorden ken. Nee, natuurlijk niet. Ik ben geen wandelend woordenboek. Eigenlijk bedoelen mensen met die vraag: hoe weet jij de betekenis van een woord, zodat je die in het woordenboek kunt zetten?

Die woordbetekenis zoek ik uit. Dat kun je vergelijken met het werk van een bioloog of met het werk van een rechercheur. Een bioloog kent ook niet alle diersoorten uit zijn hoofd en een rechercheur weet ook van tevoren niet wie het gedaan heeft. Op dezelfde manier kent een lexicograaf (een woordenboekmaker) niet alle woorden en alle betekenissen.

Zoals een bioloog daarom naar een plek gaat om bijvoorbeeld insecten te zoeken en zoals een rechercheur naar een plaats delict gaat, zo gaat een lexicograaf naar een plek waar taal te vinden is. Een voorbeeld van zo’n plek is het internet: via google kun je allerlei voorkomens van een woord bekijken.

Nu is google niet zo handig voor een woordenboekmaker. Als ik bijvoorbeeld in google het werkwoord varen intype, krijg ik ook voorbeelden van de plant. Bovendien vind ik geen voorbeelden met vaart, voer of gevaren. Als ik die drie woorden los zou opzoeken, vind ik opnieuw alle drie die woorden ook als zelfstandig naamwoord. Daarnaast vind je ook rare of slechte teksten via google.

Daarom bouwen woordenboekmakers hun eigen taalverzameling, vergelijkbaar met het internet. Dat noem je een (tekst)corpus. Speciale software zorgt ervoor dat je daar beter in kunt zoeken. Ik kan daarin op varen als werkwoord zoeken en vind dan dus ook de werkwoordsvormen vaar, vaart (alleen het werkwoord), etc.

Vervolgens bekijk ik zoveel mogelijk zinnetjes met het woord en leid dan af, wat de betekenissen van dat woord zijn. Een soort determineer-/speurwerk: net zoals een bioloog in het bos soorten insecten bekijkt en een rechercheur op een plaats delict sporen zoekt, zo bekijk ik op welke manieren een woord gebruikt wordt.

Geplaatst in Algemeen Nederlands Woordenboek | Getagged , , , , , , | 3 Reacties

Circulariteit in het woordenboek

Er was ooit een reclame (ik weet helaas niet meer waarvan en met welke producten) waar een vrouw in een supermarkt vraagt waar de pindakaas staat. Ze krijgt als antwoord van de medewerker “bij de spaghetti”. Op haar vraag waar de spaghetti dan staat, krijgt ze het antwoord “bij de pindakaas natuurlijk!”.

Dit antwoord helpt niets, maar in woordenboeken gebeurt vaak hetzelfde. Zo zegt mijn pocket Prisma (uit 1989) dat een rijwiel een ‘fiets’ is en een fiets een ‘rijwiel’. Een circulaire definitie dus.

Een andere manier van circulariteit komt binnen definities voor. Zo wordt een tak in het Nederlands wel eens gedefinieerd als “deel van een boom dat groeit uit de stam of uit een andere tak en waaraan bladeren of fruit kunnen groeien” (vgl. bijv. de definities in het WNT of in Van Dale). Hoewel de meeste mensen deze betekenisomschrijving prima zullen begrijpen (en daar is die uiteindelijk voor gemaakt!), maakt deze definitie strikt genomen niet duidelijk wat een tak is, aangezien de definitie eindeloos lang is. Er staat namelijk dat een tak een “deel van een boom dat groeit uit een stam of uit een ander (deel van een boom dat groeit uit een stam of uit een ander (deel van een boom dat groeit uit een stam of uit een ander (….)))” is. Dit is geen circulariteit zoals “pindakaas bij de spaghetti” en “spaghetti bij de pindakaas”, maar het is een soort talig droste-effect.

Je kunt hier flauwe grappen over maken, maar uiteindelijk is helaas elk woordenboek circulair. Je hebt namelijk alleen maar woorden om de woorden zelf mee te definiëren.

Als je het met de supermarkt vergelijkt, dan hebben lexicografen dus de lastige taak om zo goed mogelijk uit te leggen waar iets staat door alleen maar de omringende producten te noemen. De Prisma-uitleg dat een bliksemschicht een ‘bliksemflits’ is; een bliksemflits een ‘bliksemstraal;’ en een bliksemstraal een ‘flikkering van de bliksem’ lijkt daarom op “de calvépindakaas staat naast de spaghetti”; “de spaghetti staat naast de waspoeder”; en “de waspoeder staat tegenover het toiletpapier en naast al het zoete broodbeleg waaronder merken pindakaas”. Als je in de supermarkt alleen kunt uitleggen waar iets staat door een ander product te noemen, dan ben je uiteindelijk terug bij af. En in een woordenboek met alleen maar woorden kan dat nu eenmaal niet anders.

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , , , , , , , | 1 reactie